Open Björn
Dutch · A1 · Unit 4

My family

Mijn familie

By the end you can

Words and phrases

DutchMeaningExample
de familiethe family, relatives (parents and children at home: het gezin)De familie van mijn vader woont in Friesland.
de moederthe mother (mama: mum)De moeder van Daan heet Ans.
de vaderthe father (papa: dad)De vader van Lotte werkt in Rotterdam.
een broera brother (de broer)Ik heb een broer.
een zusa sister (de zus)Ik heb een zus en een broer.
ik hebI haveIk heb twee kinderen.
het kindthe child (two children: twee kinderen)Het kind van mijn zus is vijf.
een zoona son (de zoon)We hebben een zoon.
een dochtera daughter (de dochter)Zij heeft een dochter.
getrouwdmarriedIk ben getrouwd.
mijnmy (the same with de- and het-words)Mijn moeder heet Ans.
mijn oudersmy parents (de ouders)Mijn ouders wonen in Utrecht.

Write about yourself

Fill in the gaps with something true about you.

Then talk it through

A colleague shows you a family photo and asks about your family. In the app you have this conversation out loud or typed, with the unit's goals to tick off and corrections at the end.