Open Björn
Dutch · A2 · Unit 14

Friends and family

Vrienden en familie

By the end you can

Words and phrases

DutchMeaningExample
we hebben elkaar leren kennenwe met (got to know each other)We hebben elkaar leren kennen op het werk.
we zien elkaarwe see each otherWe zien elkaar elk weekend.
mijn partnermy partner (also mijn vriend, mijn vriendin)Mijn partner heet Alex.
samenwonenlive togetherWij gaan volgend jaar samenwonen.
trouwenget marriedZe gaan in juni trouwen.
een neefa cousin (a man); a nephew (de neef; a woman: een nicht)Ik heb een neef in Groningen.
mijn schoonmoedermy mother-in-lawMijn schoonmoeder kookt heel lekker.
contact houdenkeep in touchWe willen contact houden.
kunnen het goed met elkaar vindenget on wellMijn zus en ik kunnen het goed met elkaar vinden.
gescheidendivorcedMijn ouders zijn gescheiden.

Write about yourself

Fill in the gaps with something true about you.

Then talk it through

Telling a new friend how you met your partner or best friend. In the app you have this conversation out loud or typed, with the unit's goals to tick off and corrections at the end.