Friends and family
Vrienden en familie
By the end you can
- Describe the people close to you
- Tell how you met someone
- Understand a story about a family
Words and phrases
| Dutch | Meaning | Example |
|---|---|---|
| we hebben elkaar leren kennen | we met (got to know each other) | We hebben elkaar leren kennen op het werk. |
| we zien elkaar | we see each other | We zien elkaar elk weekend. |
| mijn partner | my partner (also mijn vriend, mijn vriendin) | Mijn partner heet Alex. |
| samenwonen | live together | Wij gaan volgend jaar samenwonen. |
| trouwen | get married | Ze gaan in juni trouwen. |
| een neef | a cousin (a man); a nephew (de neef; a woman: een nicht) | Ik heb een neef in Groningen. |
| mijn schoonmoeder | my mother-in-law | Mijn schoonmoeder kookt heel lekker. |
| contact houden | keep in touch | We willen contact houden. |
| kunnen het goed met elkaar vinden | get on well | Mijn zus en ik kunnen het goed met elkaar vinden. |
| gescheiden | divorced | Mijn ouders zijn gescheiden. |
Write about yourself
Fill in the gaps with something true about you.
- Ik heb leren kennen op .
- We zien elkaar .
- We kunnen het goed met elkaar vinden, omdat .
Then talk it through
Telling a new friend how you met your partner or best friend. In the app you have this conversation out loud or typed, with the unit's goals to tick off and corrections at the end.