Identity and belonging
Identiteit en thuis
By the end you can
- Discuss how language shapes identity
- Reflect on where you feel at home
- Understand a reflective essay
Words and phrases
| Dutch | Meaning | Example |
|---|---|---|
| mijn identiteit | my identity | Taal is een groot deel van mijn identiteit. |
| afkomst | origin, background (de afkomst) | Mensen vragen me vaak naar mijn afkomst. |
| tweetalig | bilingual | Onze kinderen zijn tweetalig opgevoed. |
| geworteld | rooted | Ik voel me hier inmiddels geworteld. |
| ontheemd | uprooted, displaced | Soms voel ik me ontheemd, hier en daar. |
| een ander mens | a different person | In het Nederlands ben ik een ander mens: directer en minder beleefd. |
| noch hier, noch daar | neither here nor there | Ik hoor noch hier, noch daar helemaal bij. |
| bepalend | decisive, defining | Taal is bepalend voor hoe je de wereld ziet. |
| met een accent | with an accent | Ik spreek vloeiend Nederlands, maar met een accent. |
| aanpassen | adapt (zich aanpassen) | Je moet je aanpassen, maar je hoeft jezelf niet te verliezen. |
| waar kom je echt vandaan? | where are you really from? | De vraag 'waar kom je echt vandaan?' hoor ik nog steeds. |
Then talk it through
A conversation about whether you feel at home in the Netherlands. In the app you have this conversation out loud or typed, with the unit's goals to tick off and corrections at the end.